DG Politie Wim Saris ‘Je hebt het lokale bestuur heel hard nodig’

18 september 2017

DG Politie Wim Saris kijkt met vertrouwen en enige spanning uit naar de discussies naar aanleiding van de binnenkort te verschijnen rapporten, waaronder het evaluatierapport van de commissie Kuijken, over de vorming van de Nationale Politie. De komende maanden worden ‘agendazettend’ voor 2018 en verder. Een nieuw Kabinet met natuurlijk nieuwe ambities en ondertussen staat de politieorganisatie ook voor een tour de force omdat er een grote uitstroom van ervaren mensen op gang komt als gevolg van de ‘vergrijsde’ opbouw van het korps. Saris hoopt dat 2018 een betere balans tussen nationaal beheer en lokaal gezag gaat brengen. Hij trekt zich de kritiek van de burgemeesters op het departement aan. ‘De balans was teveel naar het nationale doorgeslagen.’

“Voordat we in 2018 komen, hebben we nog een paar spannende maanden voor de boeg”, zegt Wim Saris in zijn werkkamer op het departement van Veiligheid en Justitie. Wij spreken Wim Saris in het kader van de begroting die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd. Saris geeft aan dat het nu vooral wachten is op de prioriteiten van een nieuwe regering, op het rapport van de commissie Kuijken en op de conclusies van de toezichthouders over de staat van de nationale politie. “Als de evaluatierapporten verschijnen weten we waar de Nationale Politie staat. Het zijn agendazettende maanden. We willen vervolgens samen met politie, openbaar ministerie en lokaal bestuur bepalen hoe we de politie in staat stellen om zijn eigen ontwikkeling aan te passen aan het veranderende veiligheidsbeeld. Het is belangrijk die discussie goed te voeren. Laten we vooral kijken naar wat beter kan en dat in beheersbare stappen aanpakken.” Saris hoopt dat de discussie over de totstandkoming van de Nationale Politie dan afgerond is. “Daar praten we al zo lang over. We moeten het niet meer hebben over de vorming, maar over het politiewerk zelf en over de vraag hoe de gezagen en daarmee de burgers zo goed mogelijk kunnen worden bediend.”

Sturing op instroom

Op het gebied van personeelsbeleid staat de organisatie voor een tour de force, aldus Saris. “De komende jaren zullen veel mensen als gevolg van hun leeftijd het korps verlaten en komen er veel nieuwe jonge mensen bij. Dat is ook een kans voor vernieuwing en flexibilisering. We moeten die hele logistiek van in-, door- en uitstroom dan wel op een slimme manier op gang brengen. Als we op de traditionele manier gaan vervangen, dan loopt de instroom met name via de gebiedsgebonden politie. Als we daar niet op sturen, dan gaat er veel capaciteit en kwaliteit weg en komt de opleidingsinspanning en ervaringsdip vooral bij de basisteams te liggen. Dan zouden de burgemeesters een dip in de prestaties te zien krijgen. Dat vraagt om sturing. Moet al die nieuwe instroom alleen in die basisteams plaatsvinden of kan dat ook voor een deel plaatsvinden in de opsporing? We kijken ook naar differentiatie van opleidingsaanbod. Kun je niet nog meer samenwerken met ROC’s bijvoorbeeld, waardoor een deel van de opleiding ‘buiten’ plaatsvindt? Onze prioriteit moet zijn dat we verstandig omgaan met de opleidingscapaciteit van de Academie, dat we zoeken naar meer flexibiliteit in de instroomarrangementen die we hebben. Maar tegelijkertijd moeten we geen concessies doen aan de kwaliteit van de politiemensen die instromen. Het gezag zou er zo min mogelijk last van moeten ondervinden.”

Balans lokaal-nationaal

Een belangrijk thema, dat Saris ziet voor de komende jaren, is de balans tussen nationaal en lokaal. Saris: “Ik probeer altijd weg te komen van de dichotomie van landelijk beheer en lokaal gezag. Uiteindelijk moet je een beheerorganisatie hebben, met ICT, bedrijfsvoering, HRM, die ondersteunend is aan je operatie. En de operatie is overwegend lokaal, regionaal gestuurd. Met de vorming van de Nationale Politie is de slinger naar het centrale, landelijke doorgeslagen. Het is de kunst dat weer in balans met het regionale en het lokale te brengen. Ook binnen het rijk heeft de beweging naar shared services plaatsgevonden met gestandaardiseerde ondersteunende processen. Je haalt ongewenste verschillen weg in de verschillende delen van de organisatie, maar vervolgens moet je met elkaar het gesprek weer aangaan om te kijken waar de eigen keuzemogelijkheden moeten en kunnen liggen van een politiechef. We hadden bijvoorbeeld veel opleidingen tot wijkagent. Dat kan er ook één zijn, maar wel met mogelijkheden om daarbinnen te differentiëren door de opleiding modulair op te bouwen.”

De focus op de bouw van de landelijke politieorganisatie heeft er toe geleid dat de band tussen ministerie en burgemeesters minder innig is geworden dan in het regionale bestel, constateert Saris. “Wij hebben als departement eigenlijk een bijzondere rol, enerzijds als hoeder van het politiebestel, anderzijds als speler in dat politiebestel”, vindt hij. “Wij moeten er op letten dat iedereen in het bestel zijn rol kan spelen. Dus daar waar focus heel erg heeft gelegen op de politieorganisatie, zou die nu meer naar de gezagen toe moeten. Het is ook de kritiek geweest van de burgemeesters op het departement en dat trek ik me ook aan. We moeten het gezamenlijk hebben over: wat zijn nou de grote thema’s waarvan het gezag wensen heeft ten aanzien van de politieorganisatie? Als departement gaan we die antwoorden meer ophalen en daar meer gezamenlijkheid in bewerkstelligen.”

Strategisch overleg

Saris noemt drie grote thema’s: ondermijnde criminaliteit, cybercriminaliteit en terreur/contra-terreur die zowel nationaal als lokaal aandacht vragen. “We moeten het er met elkaar over hebben hoe we daarmee omgaan. Het zijn de landelijke thema’s, maar ik zie wel dat in de grote steden contra-terrorisme een totaal andere dimensie heeft dan daarbuiten. Dan is het de kunst om met elkaar te zeggen: welke dingen moeten we landelijk met elkaar doen en welke dingen kunnen lokaal veel beter opgelost worden. Je hebt het lokale bestuur heel hard nodig; dat is vaak het beste in staat om lokaal arrangementen te vinden om bepaalde vormen van criminaliteit met elkaar aan te pakken. Dat kun je alleen maar doen door transparant te zijn en door het intensiveren van dat gesprek dat je met elkaar hebt. Elkaar eens in de twee maanden bij de minister aan tafel spreken is daarvoor onvoldoende”.

Voor Saris ligt daar ook een uitdaging voor het LOVP (het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie waar minister en korpschef spreken met de (regio)burgemeesters en de voorzitter van het College van PG’s over politieaangelegenheden): hoe kunnen regioburgemeesters laten zien dat er onderling verschillen zijn tussen de behoeften van de randstad en bijvoorbeeld die van een grensregio en een regio met veel platteland? In dat overleg zouden we het toch vaker met elkaar moeten gaan hebben over de strategische ontwikkelthema’s voor de politieorganisatie.  Dus bijvoorbeeld: wat levert het basisteam als het gaat over ondermijnende criminaliteit en wat is bijvoorbeeld de rol van de landelijke eenheid? Welke ruimte bieden we aan de politiechefs om samen met de gezagen keuzes te maken op lokaal niveau en waar doen we dat niet? Hebben de gesprekspartners van de burgemeesters in de driehoek voldoende mandaat? Werkt het regionaal beleidsplan zoals het bedoeld is in de wet, of heeft de praktijk andere behoeften en moeten we dat dan niet veranderen. Dat hoort in het LOVP thuis. Ook de discussie over aanrijtijden zouden we in samenhang met oog voor de behoeften van de verschillende regio’s moeten voeren. Zijn hier wel landelijke normen voor nodig of moet je dat regionaal met elkaar bepalen. Mijn droom zou eigenlijk zijn dat je landelijk maar een beperkte set aan indicatoren hebt waar je naar kijkt: is de burger tevreden, is het gezag tevreden, zijn de medewerkers tevreden, dan ben je goed bezig. Dit soort ontwikkelingen, hoe we die met elkaar gaan aanpakken, dat vind ik spannend.”